Milieu Dossier: Perspectieven voor een duurzame landbouw in Nederland (copy)

Het Milieu Dossier accepteert artikelen die de voortgang in beleid, onderzoek en maatschappelijke respons documenteren. Bijdragen worden beoordeeld door een redactieteam.

Tijdschrift Milieu
september 2023, nr. 4

Perspectieven voor een  duurzame landbouw in Nederland

Gerard Ros is senior onderzoeker bij Wageningen Universiteit / Nutriënten Management Instituut. Wim de Vries is hoogleraar Integrale Stikstofeffectanalyse aan Wageningen Universiteit. Roel Jongeneel is Senior Scientist bij Wageningen Economic Research. Martin van Ittersum is hoogleraar in de Plantaardige productiesystemen aan de WUR.

De landbouw staat voor grote en complexe opgaven. Opgaven die samenhangen met de kwaliteit van bodem, water en atmosfeer. De complexiteit ervan is uitdagend en vraagt vanwege de maatschappelijke urgentie om concrete oplossingen, waarbij maatwerk gecombineerd moet worden met een geborgde verlaging van de impact van landbouw op het milieu. We zien veel potentie in een systeem van emissierechten op basis van toelaatbare emissies en concrete milieudoelen, waarbij de boer als ondernemer bepaalt hoe hij of zij aan de doelen voldoet. Duidelijkheid over doelen en perspectiefvolle economische randvoorwaarden zijn essentieel.

Door: Gerard Ros, Wim de Vries, Roel Jongeneel & Martin van Ittersum

Inleiding

Overheid, keten en consument moeten de boer helpen om duurzamer te produceren. In dialoog met de sector wordt anno 2023 samengewerkt aan een concreet toekomstplan om keuzes te maken over het perspectief voor boeren in 2040. Dit krijgt onder andere vorm via de gebiedsprocessen binnen het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Landelijke en gebiedsgerichte opgaven moeten daarbij uiteindelijk vertaald worden naar elk landbouwbedrijf, om zo concreet te maken welke maatregelen nodig zijn om de opgaven te realiseren. Hoe deze complexe ruimtelijke puzzel van provinciale en landelijke ambities vorm kan krijgen, is echter nog in beweging. De uitdaging is daarbij om een consistent en toekomstbestendig perspectief te realiseren voor de landbouw, in samenhang met natuur en milieu. Daarbij zal integraal gekeken moeten worden, niet alleen naar ammoniak, maar naar vrijwel alle belangrijke milieuproblemen die er spelen. Daaronder zijn waterkwaliteit en klimaat, maar ook bodemkwaliteit en droogteproblemen. 

Met dit artikel1 willen we richting geven aan de verdere concretisering van het NPLG door aan te geven: (i) hoe landelijke opgaves vertaald kunnen worden naar concrete doelen voor ammoniak, broeikasgassen en nitraatuitspoeling per bedrijf én per provincie, (ii) op welke wijze landbouwbedrijven en sectoren bij kunnen dragen aan de realisatie van de genoemde opgaven, (iii) wat de mogelijkheid is om de beoogde transitie te monitoren en te versnellen via een provinciale normerings- en beprijzingsaanpak gecombineerd met monitoring en borging en (iv) hoe het verdienmodel van landbouwbedrijven kan worden versterkt via gerichte overheidsbetalingen voor groene diensten, grotere bijdragen vanuit ketens en consument, en een algemene bijdrage voor landschaps- en biodiversiteitsbeheer via belasting. We geven hiermee richting, wetend dat verdere aanscherping en detaillering moeten plaatsvinden binnen het NPLG. 

Foto: Janet Mol, via WUR

Het huidige en gewenste beleid, een potloodschets

Inzet van wet- en regelgeving, financiële instrumenten en innovaties hebben een aantoonbaar positieve bijdrage geleverd aan het terugdringen van emissies in de afgelopen jaren2. Desondanks zijn de positieve ontwikkelingen uit het verleden voor een deel ook weer tenietgedaan door natuurlijke, sociale en economische factoren. Denk hierbij aan de droge weerjaren waardoor nitraatconcentraties in het grondwater zijn gestegen. Het einde van het melkquotum heeft daarnaast geleid tot meer koeien, en verder blijken veel innovaties minder effectief dan verwacht. Ook is het landelijk beleid sterk verkokerd en mist het de concrete aansluiting op de landbouwpraktijk.

Ingezette beleidsinstrumenten voor verbetering van de waterkwaliteit werken beperkt of zelfs contraproductief3, zoals de generieke aanleg van bufferstroken en de verplichte kalenderdata voor oogst van gewassen. De voorgestelde maatregelen beperken de mogelijkheden om goed in te spelen op het weer, en kunnen daarmee zelfs leiden tot hogere verliezen. Daarnaast is bemesting veelal niet de reden waarom de biologische waterkwaliteit stagneert of daalt en zorgt het afschaffen van de derogatie potentieel voor grotere risico’s voor de waterkwaliteit4. En wat goed is voor het één is niet goed voor het ander: het verhogen van de grondwaterstand in veenbodems voor weidevogels, klimaatmitigatie of het beperken van bodemdaling verhoogt tevens de emissie van methaan en verslechtert de waterkwaliteit vanwege fosfaat. Omdat het beoogde milieueffect van beleid en innovaties uitblijft of onvoldoende is, wordt regelgeving in toenemende mate complex, neemt de fraudegevoeligheid en juridische complexiteit toe, en groeit het onbegrip bij boeren over nut en noodzaak ervan. Kortom, er is een grote noodzaak voor consistent, doelgericht en eenvoudig landbouw- en milieubeleid, waarop ondernemers kunnen koersen op korte en langere termijn.

Om de huidige milieuproblematiek op te lossen is allereerst een integrale aanpak nodig die milieukundige opgaven tegelijkertijd beschouwd1. Dus naast stikstofdepositie en natuurkwaliteit ook de opgaves voor droogte, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en klimaat. Ten tweede is het belangrijk om zowel extensivering als intensivering een plaats te geven in de transitie afhankelijk van de aard, locatie en ernst van de problematiek. De beoogde transitie is alleen mogelijk als (middels beleid) de ondernemer gestimuleerd wordt om voedselproductie te combineren met een landbouwpraktijk die is afgestemd op de kwaliteit van de lokale leefomgeving. De milieuproblemen, als ook de efficiëntie van landbouwbedrijven én de inzetbaarheid van maatregelen, variëren namelijk sterk in relatie met grondsoort, landgebruik en het voorkomen van natuur1,5,6,7. Dit vereist een integrale visie met ruimtelijk inzicht in de opgaves aansluitend op de diversiteit van het landschap. Er moeten én mogen keuzes gemaakt worden welke opgave in welke provincie prioriteit heeft. Daarop aansluitend is het cruciaal om de inzet van maatregelen af te stemmen op de lokale en regionale kenmerken van de omgeving als ook de inbedding ervan binnen een bedrijfseconomisch verdienmodel. Let wel: in dit artikel nemen we het huidige Nederlandse en Europese beleid als uitgangspunt. Een mondiale visie op een duurzame landbouwproductie met oog voor natuur, omgevingskwaliteit en sociaaleconomische aspecten, en de rol van Nederland hierbinnen valt buiten de scope van dit artikela.

Ten derde is het relevant te onderkennen dat landbouwsectoren verschillen in hun milieukundige impact en dat ze via onderlinge samenwerking een bijdrage leveren aan het voorkomen van emissies dan wel mitigatie van milieukundige effecten. Deze complementariteit is een van de pijlers van kringlooplandbouw8. Naast de mogelijke meerwaarde door deze samenwerking, liggen er nog veel mogelijkheden door te sturen op een gerichte inzet van natuurinclusieve als ook technologische maatregelen (Tabel 1) om de milieukundige impact van landbouw binnen Nederland te minimaliseren7.

Als laatste is het belangrijk om het landbouwbedrijf niet los te zien van het Europese voedselsysteem. Elke keus om regionaal meer of minder voedsel te produceren heeft gevolgen voor landbouwbedrijven elders in de wereld en daarmee ook het milieu. De Nederlandse landbouw wordt niet alleen gekenmerkt door hoge opbrengsten en een hoge efficiëntie per kg product, maar ook door veel verliezen naar het milieu. Lokale initiatieven als herenboeren, en regeneratieve boerderijen (waarbij maximaal natuurlijke processen worden ingezet om voedsel te produceren en inzet van kunstmest en pesticiden wordt vermeden) zijn zeker zinvol omdat de lokale impact op het milieu positief is. Maar zij bedienen doorgaans nichemarkten en gaan gepaard met aanzienlijk lagere producties en hogere voedselprijzen, waardoor nationale en internationale opschaling voorlopig onwaarschijnlijk is. 

Onder de afbeelding gaat het artikel verder

Foto: Shutterstock, via WUR

Maatwerk in opgaven

De verschillende opgaven variëren sterk afhankelijk van de locatie van het landbouwbedrijf1,6. Hoge ammoniakemissies en de bijdrage aan te hoge stikstofdeposities op gevoelige natuurgebieden speelt sterk in de dierintensieve provincies zoals Gelderland, Noord-Brabant, Limburg, Overijssel, Drenthe en Utrecht (Figuur 1). Dezelfde provincies hebben grote uitdagingen om de regionale kringlopen van nutriënten te sluiten omdat niet-grondgebonden veehouderij veel voer importeert vanuit het buitenland.  De grootste uitdagingen voor het klimaat liggen in het veenweidegebied, waar door veenoxidatie veel broeikasgassen worden geproduceerd en de bodem verdwijnt, en in de intensieve veehouderijgebieden in het midden- en zuidoosten van Nederland door de uitstoot van methaan en lachgas. In de provincies met vooral zand en lössgronden zijn ook grote uitdagingen voor grondwaterkwaliteit en -kwantiteit. Droogteproblemen komen vooral voor op zandgronden en zorgen voor opbrengstderving en hogere nitraatgehaltes in het grondwater4, en dan in het bijzonder wanneer er matig wortelende gewassen, zoals mais, aardappel, uien en groenten, worden geteeld. De diepe grondwaterstanden en snelle afvoer van water zorgt voor verdroging van natuur. De opgaves voor het oppervlaktewater zijn groot in vrijwel alle regio’s waarbij de oorzaak varieert per regio. In het veenweidegebied staat de waterkwaliteit onder druk door onder andere oeverafkalving, de hoge fosfaatbelasting vanuit kwel, en de ondiepe sloten, terwijl in Oost-Nederland er meer zorgen zijn rond de uitstoot van gewasbeschermingsmiddelen en de kwaliteit van het instromend water vanuit het buitenland. De bodemkwaliteit is onder landbouwgronden overwegend hoog10, waarbij er zorgen zijn omtrent het voorkomen van bodemverdichting en de verspreiding van bodempathogenen, met name in de akkerbouw. In vrijwel alle provincies heeft een groot deel van het natuurareaal knelpunten qua stikstofdepositie, zuurgraad, en droogte9. Gezien deze ruimtelijke variatie in opgaven lijkt een prioritering van doelen, sectoren en bijbehorende maatregelen per provincie6 logisch. Op het niveau van provincies liggen ook de bestuurlijke uitdagingen om beleid te vertalen in concrete oplossingen per sector en bedrijfstype. Daarbij is het voor die provincies van belang om duidelijkheid te hebben welke bijdrage ze kunnen vragen van de individuele bedrijven die gezamenlijk de provinciale opgave moeten realiseren. Om dit te faciliteren stellen we voor om de landelijke doelen voor ammoniak, broeikasgassen en nitraatuitspoeling te vertalen naar toelaatbare emissies per landbouwbedrijf, uitgedrukt per hectare voor grondgebonden en per dier voor niet-grondgebonden bedrijven. Zit een bedrijf erboven, dan moet het minderen. Zit een bedrijf erop of eronder, dan zit het goed. Elk bedrijf krijgt hiermee een norm voor de toelaatbare ammoniakuitstoot, broeikasgasemissies en het stikstofbodemoverschot (d.w.z. het verschil tussen de aangevoerde stikstof via bemesting, fixatie of depositie en de afgevoerde stikstof via gewasproductie) als indicator voor nitraatuitspoeling. Via deze bottom-up aanpak is het mogelijk om maatwerk te bieden per bedrijf, maar ook per regio en provincie, die de som vormt van de onderliggende bedrijven, en te zorgen voor een gegarandeerde verlaging van emissies voor heel Nederland. Het voordeel van emissierechten boven een vast maximaal aantal diereenheden per hectare is dat emissierechten het ondernemerschap van de boeren blijven stimuleren. Twee koeien per hectare kunnen tot weinig emissie leiden, maar ook tot meer emissie dan drie koeien per hectare afhankelijk van het management en de bedrijfskenmerken. Efficiënte en schone productie wordt op die manier beloond. 

De toelaatbare emissies per bedrijf leiden we als volgt af (als illustratie hoe landelijke doelen vertaald kunnen worden naar doelen per bedrijfb):

  • Om de landelijke ammoniakuitstoot te halveren, kennen we deze reductie toe aan het aanwezige areaal grasland, maisland en bouwland voor de rundveehouderij (exclusief vleeskalveren omdat deze bedrijven overwegend niet-grondgebonden zijn) en de akkerbouw dan wel het aantal dieren voor vleeskalveren, varkens en kippen. Per hectare mag een veehouderijbedrijf dan ca 22 kg ammoniak uitstoten. De toelaatbare uitstoot per dier varieert tussen 0,05 en 0,50 kg ammoniak per dier, afhankelijk of het een kip, varken of vleeskalf is. 
  • Om de landelijke emissie van broeikasgassen te halveren, berekenen we net als bij ammoniak een maximale toelaatbare emissie per bedrijf. Per hectare grasland mag er bijvoorbeeld 9 kg lachgas en 150 kg methaan uitgestoten worden. Per dier varieert de toelaatbare emissie van 3 tot 12 kg methaan voor varkens en vleeskalveren.
  • Om de nitraatuitspoeling te verlagen, berekenen we een toelaatbaar stikstofbodemoverschot als bron van de uitspoeling3,15. Hierbij houden we rekening met landgebruik, grondsoort en grondwaterstand. Het toelaatbare overschot varieert dan tussen 50 en 125 kg stikstof per hectare afhankelijk van het landgebruik en de grondsoort.

In de bovengenoemde berekeningen is uitgegaan van een landelijke emissiereductie van 50%. Daardoor zijn de normen streng. Omdat een relatief groot deel van de geëmitteerde ammoniak binnen een straal van 500 á 1000 m rond het bedrijf neerslaat, is het echter wenselijk zijn om strengere normen te nemen in de directe omgeving van gevoelige natuurgebieden, waar relatief de hoogste stikstofdepositie is11. Dit kan uiteindelijk beëindiging van bedrijven binnen de genoemde straal inhouden. Omdat de effectiviteit van de emissiereductie binnen die straal veel groter is dan in de rest van het gebied kan de landelijk vereiste emissiereductie (die nodig is om alle doelen te bereiken) dan echter wel omlaag en kunnen de normen per hectare of dier in de rest van het land minder streng zijn. De genoemde berekeningen leiden er ook toe dat de toelaatbare emissies per hectare, berekend op basis van de uitstoot van alle veehouderij, hoger is in gebieden met veel niet-grondgebonden intensieve kalveren, varkens en kippenhouderij. In zekere zin sanctioneert het de intensievere veehouderij in bepaalde gebieden. Een alternatief is om de uitstoot van alle veehouderij te delen door het aantal hectare landbouwgrond (dit leidt dan in elke provincie tot een toelaatbare uitstoot van ca 27 kg ammoniak per hectare) en vervolgens de uitstoot per hectare te verdelen naar rundvee, vleeskalveren, varkens en kippen op basis van de huidige verdeling in uitstoot. Daarmee wordt de opgave voor de veehouderij in intensieve gebieden beduiden groter en daarbuiten juist lager. Zo zijn er meer varianten te bedenken voor het verdelen van de opgave en bovenstaande doelen dienen vooral als voorbeeld. In een vervolgpublicatie zullen meerdere van deze varianten verder worden uitgewerkt en besproken. Naast deze drie opgaven die zich laten vertalen in doelen per bedrijf via het aantal hectares en dieren, zijn er ook concrete doelen voor bodemdaling in veengebieden, de kwaliteit van het oppervlaktewater, de biodiversiteit van natuurgebieden en de bodemkwaliteit. Voor deze doelen is echter geen nieuw wettelijk instrumentarium nodig. Bodemdaling kan worden aangepakt door per gebied een gewenst slootpeil te definiëren en dit te implementeren binnen bestaande peilbesluiten. Om de waterkwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren is op lange termijn aanpassing van de fosfaatgebruiksnormen nodig, aangevuld met maatregelen om de ecologie van sloten te verbeteren conform de maatregelpakketten in de door Europa goedgekeurde Stroomgebiedsbeheerplannen. Voor de vertaling van deze opgaven richting concrete doelen per bedrijf, alsook voor verbetering van de biodiversiteit en de bodemkwaliteit, kan gebruik worden gemaakt van bestaande adviesinstrumenten1 die toepasbaar zijn op bedrijfsniveau, zoals de Biodiversiteitsmonitor, het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer, het BedrijfsBodemWaterPlan en de Open Bodemindex. Al deze instrumenten brengen concreet in beeld welke opgaven er zijn, vertalen dit richting doelen per bedrijf, en geven inzicht hoe deze doelen ook gerealiseerd kunnen worden. Deze instrumenten worden gedeeltelijk al ingezet in uitvoerend beleid voor grondwaterkwaliteit, oppervlaktewaterkwaliteit, natuurbeheer en bodemkwaliteit en faciliteren daarmee de ambities zoals deze zijn geformuleerd vanuit verschillende beleidsprogramma’s. 

Op basis van bovenstaande doelen per bedrijf is eenvoudig te berekenen wat de provinciale doelen zijn. Dit kan door de toelaatbare emissies en bodemoverschot te vermenigvuldigen met het areaal landbouw en het aantal dieren per provincie. De hier uitgewerkte methodiek zorgt gegarandeerd voor de noodzakelijke reductie, maar kan nog verder gedifferentieerd worden. Het stoppen van de grootste piekbelasters, in combinatie met gebiedsgericht maatwerk in een straal van 500-1000 meter rond natuurgebieden, of het verdisconteren van de veehouderijbedrijven zonder bedrijfsopvolging, kan bijvoorbeeld leiden tot een hogere generieke emissienorm met een gelijkwaardige impact. Let wel, het gaat hierbij primair om de afleiding van bedrijfsspecifieke toelaatbare emissienormen. Voor daadwerkelijke implementatie in beleid zullen deze oplossingsrichtingen vanuit landbouwkundig, milieukundig en sociaaleconomisch als ook juridisch perspectief moeten worden geëvalueerd.

Figuur 1. Opgaven per provincie (groot = rood, gemiddeld = oranje, klein = groen). Basis voor de indeling zijn kaarten uit Erisman & Strootman (2021) aangevuld met gegevens van lande-lijke studies die inzicht geven in het voorkomen van de opgaven. Provincies met een ‘x’ kennen een substantiële overschrijding groter dan 200 mol N ha-1 jaar-1 voor peiljaar 2017 (Gies et al., 2019) en lokaal zones met een verwachte daling van het freatisch grondwater van meer dan 25 cm in de komende 25 jaar (Erisman & Strootman, 2021). Voor de afleiding van deze prioritering, zie Ros et al. (2023).

Maatwerk in oplossingen

We zien veel kansen om binnen een provinciale afbakening bedrijfsgericht te zorgen voor een gezonde bodem, een levende boerensloot, schoon grondwater, veel biodiversiteit en een verminderde emissie van broeikasgassen7. De complexiteit van de opgaven vereist echter maatwerk per sector- en bedrijfstype, waarbij de inzet van maatregelen toeneemt met de grootte van de opgave. We onderscheiden daarbij maatregelen op drie niveaus (Figuur 2): i) relatief eenvoudige aanpassingen van het management van boeren die samenhangen met goede landbouwpraktijk (Good Agricultural Practices), ii) systeemaanpassingen aan het bedrijf en iii) planologische veranderingen of wijzigingen in de landbouwstructuur. Er zijn voor landbouwbedrijven veel mogelijkheden om via het eerste niveau bij te dragen aan de realisatie van opgaven. Heel concreet gaat het hier om een verbeterd management van meststoffen, bodembeheer, en gewasmanagement. Als blijkt dat met verbeterd management de doelen niet kunnen worden gerealiseerd, is verder maatwerk nodig met meer structurele wijzigingen in de bedrijfsvoering. Structurele veranderingen in het bedrijfssysteem kosten veel meer tijd (meer dan 10 jaar) en geld, maar hebben op lange termijn een positief effect op zowel landbouw als het milieu. Denk hierbij aan het vergroten van de gewasdiversiteit, de transitie naar extensieve vormen van landbouw, innovaties in en van stallen en het gebruik van andere dierrassen in de melkveehouderij om de uitstoot van ammoniak en methaan te beperken, of een verlaging van de bemestingsnormen. In sommige regio’s kunnen de opgaves echter zo groot zijn dat grotere wijzigingen nodig zijn in het gebied dan wel de landbouwstructuur. Deze regionale systeemveranderingen omvatten bijvoorbeeld het verhogen van de ontwateringsbasis (waarmee specifieke agrarische activiteiten moeten worden stopgezet), teeltverboden, verplichte arealen natuur en de verplaatsing dan wel uitkoop van bedrijven. De principes van kringlooplandbouw8 kunnen op elk van de drie niveaus bijdragen aan de aanpak van meerdere milieuproblemen: goede gronden gebruiken voor voedselproductie (en dus niet voor veevoer), het vermijden van verspilling en afval en waar dat onvermijdelijk is bijproducten opwaarderen en hergebruiken. Gemiddeld voor heel Nederland betekent dit onvermijdelijk een verdere reductie van de landbouwkundige intensiteit als ook de veestapel.

Figuur 2. Provinciale interventies om te sturen op de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot de grootte van de opgaves.

Onder de afbeelding gaat het artikel verder

Foto via WUR

Een duurzaam, economisch perspectief

Voor een concreet toekomstperspectief is het noodzakelijk dat de emissies dalen, het verdienmodel wordt versterkt en emissies ook een economische waarde krijgen. Dit kan via een normerings- en beprijzingsaanpak op basis van toelaatbare emissierechten, een beproefd instrumentarium waarmee een goede landbouwpraktijk kan worden bevorderd en de emissies gegarandeerd dalen, en dat binnen een gezond financieel bedrijfsmodel. Voor de boer betekent de introductie van emissierechten dat er een extra productiefactor bij komt: er zijn emissierechten nodig om te kunnen produceren. Emissierechten kunnen stapsgewijs worden afgebouwd vanaf een referentiejaar (2018) tot het doeljaar, bijvoorbeeld 2030 of 2035 voor ammoniak, of 2050 voor broeikasgassen. Deze aanpak geeft emissies een prijs en stimuleert innovatie en een duurzame inzet van meststoffen. Borging kan plaatsvinden via Kritische Prestatie Indicatoren voor de toelaatbare emissie van ammoniak en broeikasgasemissie, het stikstofbodemoverschot, het minimale slootpeil en de te nemen maatregelen voor de verbetering van waterkwaliteit en biodiversiteit (met de methodiek van Biodiversiteitsmonitoren, de pilot Ecoregeling, het BedrijfsBodemWaterPlan, de Open Bodemindex10 en de pilot KPI-kringlooplandbouw12). De eerste drie van deze KPIs kunnen worden berekend op basis van forfaitaire waarden of afgeleid van data uit bedrijfsmanagementsystemen. We pleiten voor emissierechten voor ammoniak en broeikasgassen omdat hiervoor concrete doelen zijn vastgelegd en huidige instrumenten onvoldoende in staat zijn om de beoogde emissiereductie te realiseren. Voor het realiseren van de overige doelen is geen aanvullend instrumentarium nodig. Wel kan het nodig zijn om in de uitwerking van het NPLG te werken met concrete doelen en streefwaarden voor de KPIs uit de hierboven genoemde instrumenten (zoals dat in diverse provincies al gebeurt). 

De transitie naar een duurzame landbouw vraagt naast een inhoudelijke visie ook om economisch perspectief. Een adequaat verdienmodel is zelfs een essentiële voorwaarde voor een écht duurzaam perspectief16. De inkomsten van een landbouwbedrijf zullen in de toekomst, net als vandaag, bepaald worden door de verkoop van landbouwproducten. Dit kan alleen veranderen als het hele economische stelsel rondom voedselvoorziening verandert, en dat niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. Er zijn anno 2023 geen concrete beleidsontwikkelingen op dit vlak. Ons inziens moet de overheid dit deel van het verdienmodel verbeteren door de bijdrage van ketens, eindgebruikers en consumenten aan de beloning van de boer te verhogen. Niet alleen de inkomsten, maar ook de kosten zijn medebepalend voor het verdienmodel en deze kosten zullen door de te nemen maatregelen en/of opgelegde beperkingen toenemen. Zowel in het verleden als in de toekomst lijkt voldoende schaal een belangrijke bepalende factor te zijn voor een goed economisch perspectief13. Het is daarom belangrijk dat noodzaak tot schaalvergroting13,14 wordt ingedamd via overige inkomsten, waarbij we potentie zien voor overheidsbetalingen voor ecosysteemdiensten, bijvoorbeeld via een instrument zoals een landschapsbelasting.17 Door de consumptie van voedsel te belasten met een zogenoemde landschapsbelasting kan de consument bijdragen aan de gewenste extensivering en inzet van boeren om het landschap te onderhouden. Hiermee wordt de interne en externe markt van voedsel niet verstoord en is de vergoeding richting boeren niet afhankelijk van politieke onzekerheid en prijsschommelingen vanuit de markt. Nederland is een land dat van nature erg geschikt is voor landbouw en bovendien logistiek gunstig ligt als een gateway naar Europa met ruim 150 miljoen consumenten in een straal van nog geen 500 kilometer. In ons toekomstbeeld denken we aan een aangepaste en, ten opzichte van de huidige situatie, kleinere landbouwsector, die echter vitaal is en goed is ingebed in de omgeving. Het is een landbouw die zowel bijdraagt aan de nationale en internationale voedselproductie alsook aan de instandhouding van biodiversiteit en het onderhoud en beheer van het landschap. Voor een vitale landbouwsector is het nodig het verdienmodel via verschillende lijnen te versterken: gerichte overheidsbetalingen, grotere bijdragen vanuit ketens en consument, en een algemene bijdrage voor landschaps- en biodiversiteitsbeheer van de burger/belastingbetaler. In het transitieproces is ook het instrument van de landschapsgrond belangrijk om extensivering van de landbouw te faciliteren. Landschapsgrond is daarbij gedefinieerd als grond die in agrarisch eigendom blijft en die extensief mag worden gebruikt, en zo dus een buffer vormt tussen een landbouwgrond en een Natura 2000-gebied. Dit vraagt om snelle duidelijkheid rondom dit instrument zodat die het kiezen van een extensiveringsstrategie door landbouwbedrijven bevordert. Voor het verdienmodel blijft immers de realisatie van een adequate toekomstige bedrijfsstructuur (voldoende schaal/landbasis) een sleutelfactor.

Samenvattend: een toekomstperspectief voor landbouw in Nederland

Binnen Nederland is er een enorme variatie tussen sectoren en bedrijven die samenhangt met het bodem- en watersysteem, het historisch landgebruik en het agrarisch management. Hierop voortbouwend is het mogelijk en gewenst om ruimtelijk expliciet de milieuproblemen in kaart te brengen als ook het handelingsperspectief om deze problemen op te lossen. We pleiten hierbij voor een integrale benadering waarbij elk bedrijf bijdraagt aan de oplossing van opgaven op het gebied van natuur-, water- en bodemkwaliteit en klimaat. Om dit toekomstperspectief te concretiseren zijn de opgaven geconcretiseerd in doelen voor elk landbouwbedrijf, waarbij rekening is gehouden met de locatie van het bedrijf als ook de al gedane investeringen om een bedrijf te verduurzamen. Ten tweede zijn verschillende oplossingsstrategieën geïdentificeerd om lokaal en regionaal maatwerk mogelijk te maken via een integrale en getrapte aanpak waarbij eenvoudige en goedkope managementmaatregelen worden ingezet om kleinere opgaves te realiseren, en kostbare veranderingen in het bedrijfssysteem wordt ingezet op het moment dat de opgave groot is. Als de aanwezige opgaven ook hier niet mee zijn te realiseren, zijn wijzigingen in de landbouwstructuur en mogelijk zelfs planologische veranderingen nodig. Ten derde moet dit op zodanige wijze vorm worden gegeven dat de sector ook in economisch opzicht een duurzaam perspectief wordt geboden. Door de concrete doelen per bedrijf, en deze te monitoren via KPIs en in te bedden binnen een normerings- en beprijzingsaanpak, is het mogelijk om duurzaam boer te zijn en te blijven, waarbij ondernemerschap bepaalt hoe de heldere doelen zijn te realiseren.

a. Recent hebben diverse Wageningse onderzoekers hiervoor een aanzet gegeven door 7 vraagstukken te identificeren die medebepalend zijn voor de toekomst van de landbouw en natuur in Nederland.

b. De exacte uitwerking en onderbouwing van deze toelaatbare normen is te vinden in de bijlagen van Ros et al. (2023).

  1. Ros GH, de Vries W, Jongeneel RA & MK van Ittersum (2023) Gebieds- en bedrijfsgerichte handelingsperspectieven voor een duurzame landbouw in Nederland. Wageningen University & Research. https://edepot.wur.nl/629419
  2. De Vries W., J. Kros, J.C. Voogd & G.H. Ros (2023). Integrated assessment of agricultural practices on the loss of ammonia, greenhouse gases, nutrients and heavy metals to air and water. Science of the total Environment 857 (2023) https://doi.org/10.1016/j.scitotenv.2022.159220
  3. Ros G.H., W. de Vries, W. Bussink, R. Postma, D. van Rotterdam, J. Peltjes, A. Mager, H. Hekman & W. Dijkman (2021). Kansen voor een gezonde bodem en voldoende en schoon water. Een pleidooi voor maatwerk rond maatregelen in het stikstofactieprogramma. Milieu Dossier 2021, December: 48-53.
  4. CDM (2022) Milieueffecten bij geen derogatie van de Nitraatrichtlijn, 20 pp.
  5. Bakker, M.M., J.P. Witte, G.H. Ros, W. de Vries, B. Mashhoodi, S. de Vries, H. Kros & T. Kuhlman (2021). Zoneren biedt landbouw toekomstperspectief. Milieu Dossier 2021, April: 39-44
  6. Erisman & Strootman (2021). Naar een ontspannen Nederland, 188 pp. https://ontspannennederland.nl/.
  7. Ros G.H. & W. de Vries (2022). Maatwerk binnen zoneringsaanpak biedt boeren toekomstperspectief. Milieu Dossier 2021, 5: 49-53.
  8. De Boer, I.J.M. & M.K. van Ittersum (2018). Circularity in agricultural production. Mansholt lecture, 19 September 2018, Brussels, Wageningen University & Research, 71 pp. https://edepot.wur.nl/470625.
  9. CLO (2020) Toestand milieu- en ruimtelijke condities landnatuur provincies, 2018. Beschikbaar via clo.nl/nl160702.
  10. Ros G.H., S.E. Verweij, S.J.C. Janssen, J. de Haan & Y. Fujita (2022) An open soil health assessment framework facilitating sustainable soil management. Sci. Technol. 56, 23, 17375-17384.
  11. De Vries W., 2020. Bouwstenen voor nieuw stikstofbeleid. Milieu Dossier 2020, April: 37-43.
  12. Van Doorn A., J. Reijs, J.W. Erisman, F. Verhoeven, D. Verstand, W. de Jong, K. Andeweg, N. van Eekeren, A.C. Hoes, H. van Kernebeek, C. Koopmans, J.P. Wagenaar & P. de Wolf (2021). Integraal sturen op doelen voor duurzame landbouw via KPI’s. White paper WEnR, 14 pp.
  13. Jongeneel R. (2022) Notitie WUR ; Verdienmodel agrarisch ondernemers: Principes en praktijken met de melkveehouderij als illustratie. Wageningen Economic Research, 10 maart 2022. (¹Deze notitie is gemaakt als bijdrage voor het rondetafelgesprek Tweede Kamer Commissie Landbouw en Voedsel ‘Verdienmodel agrarisch ondernemers’, 17 maart 2022).
  14. Remkes J. (2022). Wat welk kan. Uit de impasse en een aanzet voor perspectief. 60 pp.
  15. Silva, J.V., van Ittersum, M.K., ten Berge, H. F. M., Spätjens, L., Tenreiro, T. R., Anten, N. P. R. & P. Reidsma (2021). Agronomic analysis of nitrogen performance indicators in intensive arable cropping systems: An appraisal of big data from commercial farms. Field Crops Research, 269. doi:10.1016/j.fcr.2021.108176
  16. Jongeneel, R (2020). Verdienmodellen: actualiteit, theorie, praktijken en beleid. Wageningen Economic Research, 530231 (wur.nl)
  17. Scholten M., Bakker M. & R. Jongeneel (2021). Perspectieven voor landbouw in een gebiedsgerichte benadering; Essay op verzoek van ministerie van LNV. Wageningen, WUR

    Warning: Undefined array key -1 in /var/hpwsites/u_twindigital_html/website/html/webroot/milieu.vvm.info/wp-content/plugins/diziner-core/lib/TwinDigital/Diziner/Core/Post.php on line 965
  • Milieu Dossier: Perspectieven voor een duurzame landbouw in Nederland (copy)

    Vorige pagina

    Warning: Undefined array key 0 in /var/hpwsites/u_twindigital_html/website/html/webroot/milieu.vvm.info/wp-content/plugins/diziner-core/lib/TwinDigital/Diziner/Core/Post.php on line 928
  • Milieu Dossier: Perspectieven voor een duurzame landbouw in Nederland (copy)

    Volgende pagina

Abonneer je op onze nieuwsbrief

Tijdschrift Milieu is een uitgave van de VVM en verschijnt zes keer per jaar in een oplage van 1.750 exemplaren.

VVM-Lidmaatschap 2026