De patstelling over kernenergie en radioactief afval was voor de regering een aanleiding om de zogenoemde Brede Maatschappelijke Discussie (BMD) te organiseren. Het doel was om de maatschappij te betrekken bij het energiebeleid, inclusief kernenergie en radioactief afval. Uitkomst van de BMD, die van 1981 tot 1984 duurde, was het advies om bestaande kerncentrales open te houden, maar voorlopig geen nieuwe centrales te bouwen. Desondanks hield de regering vast aan het voornemen om kernenergie uit te bouwen. Dit veranderde na het ongeluk in Tsjernobyl in 1986.
Met de Nota Radioactief Afval kreeg Nederland in 1984 voor het eerst een expliciet beleid voor radioactief afval. De regering koos voor een tijdelijke bovengrondse opslag voor alle categorieën afval (laag, middel en hoog). Deze interim-oplossing bood ruimte om verder onderzoek te doen naar een definitieve geologische berging in Nederland of in samenwerking met andere landen.
De Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) kreeg de opdracht om het afval te beheren. Dit was aanvankelijk voor een termijn van 50 tot 100 jaar, en later voor ten minste 100 jaar. Begin jaren negentig werden nog twee principes toegevoegd aan het beleid: terugneembaarheid van het afval en omkeerbaarheid van besluitvorming. Dit werd gedaan na een consultatie met het publiek.